Leesmotivatie, hoe stimuleer je het lezen?
15 maart 2021
RTAZ ontwikkelt jouw kracht
24 mei 2021

‘Mam, wat is dat?’ ‘Hoe heet dat?’ ‘Waarom gaat dat zo?’ ‘Wat doe je?’
Mijn dochter stelde veel vragen toen ze een jaar of 3 was. Ik legde alles uit en we kletsten de hele dag. Zo leerde ze de wereld om haar heen kennen en bouwde ze een goede woordenschat op. In dit blog vertel ik waar een goede woordenschat voor nodig is. Ook geef ik je leuke tips waar je direct samen met je kind mee aan de slag kunt gaan.  Dit is het derde deel van een serie over leerproblemen die ik in mijn praktijk tegen kom. De eerste ging over rekenen met begrip, de tweede over leesmotivatie.

 

De woorden van een vierjarige.

Het aantal woorden dat een vierjarige kent als het naar school gaat ligt rond de 3000. Aan het eind  van de basisschool kent een kind tussen de 15.000 en 17.000 woorden. Op school leert het kind schoolwoorden en breidt zijn wereld en zijn woordenschat uit. Als je veel woorden tot je beschikking hebt, begrijp je beter wat er in een tekst staat. Ook kun je met een grote woordenschat goed duidelijk maken wat je voelt of wilt. Om een tekst te begrijpen moet 92% van de woorden in de tekst al bekend zijn. Als je dit hoort, dan snap je wel hoe belangrijk een goede woordenschat is.

 

Hoe leer je nieuwe woorden?

Om een nieuw woord te leren moet je het zeker zeven keer gezien of gehoord hebben. Het nieuwe woord koppelt een kind aan woorden die het al kent. Er worden paadjes in de hersenen aangelegd. Pas als het paadje een aantal keren belopen is, wordt het een pad en herkent een kind het woord. Een manier om nieuwe woorden te leren is door middel van de drie uit-tjes: uitleggen, uitbeelden en uitbreiden. Je legt een woord uit. Dit doe je met plaatjes, woorden, concreet materiaal of uitbeelden. Door het woord te gebruiken in verschillende voorbeelden breid je de betekenis uit. Herhaling van het woord zorgt ervoor dat het paadje een pad wordt. Het woord beklijft.

 

Tip uit de praktijk

Aan de hand van een tip uit de praktijk , leg ik de theorie uit de vorige alinea uit. Ik lees een kind voor uit het leesboek Gozert van Pieter Koolwijk. Daar staat de zin: Dit was de enige manier om ongezien op de autosloperij te komen. Ik leg het woord ongezien uit. Ongezien betekent dat je niet gezien wordt (uitleggen). Verstop je maar eens (uitbeelden). Nu zie ik je niet meer en ben je ongezien.  Kun jij een voorbeeld noemen van ongezien? Ja, inderdaad als je in het donker wandelt ben je ongezien. Je bent dan onzichtbaar (uitbreiden). Het kind koppelt het woord ongezien aan woorden die het al kent: onzichtbaar-zichtbaar-te zien-verstoppen. Als het woord nog een keer in de tekst voorkomt vraag ik: “ Weet je nog wat ongezien betekent? “ Voordat het paadje een pad is, zal het woord nog een aantal keren voor moeten komen in andere situaties.

 

Andere tips om de woordenschat uit te breiden

  • Laat je kind zelf boeken lezen; dit kunnen verhalen zijn maar ook informatieboeken of stripboeken.
  • Kijk samen naar informatieve programma`s zoals Klokhuis of school-tv. Na afloop kun je over de inhoud praten.
  • Voer gesprekken met elkaar, gezellig tijdens het avondeten of voordat je kind naar bed gaat.
  • Stel denkvragen zoals: ‘Wat als jij de baas zou zijn van Nederland? Wat is het leukste wat je vandaag gedaan hebt?’

Wil je meer informatie over woordenschat of maak je je zorgen over de woordenschat van je kind? Neem gerust contact met mij op. Of kijk voor tips om leesmotivatie van je kind te stimuleren op mijn blog leesmotivatie, hoe stimuleer je lezen?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *